Het hebben van een kleinkind is net zo leuk, zo niet nog leuker als ik altijd al heb vermoed. Ik ben apetrots (hé, apetrots mag dus zónder de Swiebertje-n van apeNtrots) op wat hij allemaal al kan en vooral op wie hij is. Hij woont echter op dagen zonder file op tweeënhalfuur rijden van ons. Roelof is voor hem nummer één. Hij is veel rustiger dan ik. Bij mij op schoot bedenk ik liedjes en we gaan boekjes lezen. Bij Roelof hoeft hij alleen maar te zijn. Al bij de afscheidszoen doet mijn lijf me zeer. We proberen hem sowieso elke drie weken te zien. De keerzijde van deze liefde is, dat we geen lange vakanties houden. Terwijl we dat juist wel dachten te doen als we eenmaal pensionado’s zouden zijn. Luca maakt grote sprongen in zijn ontwikkeling. Gelukkig worden we regelmatig getrakteerd op prachtige foto’s en filmpjes, waarin hij zijn lijfje ritmisch beweegt op muziek. Hij is fantastisch. Op klautergebied vindt meneer alles uit, behendig als-ie is. Ik waarschuw dochterlief dat hij al bijna op de plastic kist klimt via een stenen randje. Zijn vader is ook behendig en inventief. En van zijn moeder zeiden we vroeger ook al dat ze in een vorig leven kennelijk een klimgeit is geweest.
Karlijn is in haar jonge leven eens van boven naar beneden van de trap gevallen, want het traphekje zat niet dicht. Vréselijk! Ik ben er niet trots op, laat dat duidelijk wezen. Nadat ze drie seconden stil was, de drie langste seconden van mijn leven, zette ze het op een brullen. Wát een opluchting. Maar, wat ik er maar mee wil zeggen is, dat je kind op een dag zomaar iets kan, wat eerder in het leven nog geen optie is. Vooral als je er elke dag bij met je neus op staat, mis je wel eens iets.
Een paar weken later viel ze uit de buggy op het gras. Ik had haar niet vast gezet, want ik ging even met mijn even moeder de bloeiende planten in de tuin bekijken. Slordigheidje! Had ze na de trapval geen schrammetje of blauwe plek, de val van deze kleine afstand werd een gipsvlucht. Een twijgbreukje, die ook zonder gips wel was geheeld. Afijn, ze heeft met haar gipsarmpje veel aandacht gekregen. Veilig Thuis bestond nog niet. Ook die trapval heb ik destijds veel gedeeld, want net als de oplichting, hoewel van een geheel andere orde, je schaamt je kapot. Wat een geluk dat zo’n kind je onvoorwaardelijk blijft vertrouwen.
Kinderen zijn snel en onberekenbaar. Ook bij de waterkant op een strandje van een van de vele meertjes die Drenthe heeft. Je hebt je kind steeds in de smiezen, ondertussen met een andere ouder pratend. Je kijkt diegene een tel aan, meteen de blik weer op je kind. KIND WEG! Hoe dan! Alle kindjes zijn blond en lijken op elkaar. De schrik slaat je om het hart. Het zal toch niet. Je adem ver boven de honderd, warboel in je hoofd. Je wil schreeuwen. Dikke paniek. Ach, zit je kind gewoon nog op anderhalve meter met een emmertje en zand te spelen. Mijn hemel, zo kan het dus gaan. Je let ff niet op. Je zult mij niet horen dat, wat dan ook, mij niet zal gebeuren.
Vroeger bij het schoolplein liet ik het wel eens vallen in het kringetje ouders om een reactie te ontlokken: Gunst, wat kun je toch een hekel hebben aan je eigen kind. Echt, soms schoorvoetend, maar iedereen herkent het. Tuurlijk, ook jouw geduld raakt op. Of jouw bloedsuikertjes zijn te laag. Of jouw kind heeft een treiterbui. Oké, elk kind heeft recht op beheersing van ouders. Soms moet je even weglopen. Of op tijd je grens trekken, als je je gevoelens nog ruim de baas bent. Onze kinderen confronteren me er nog regelmatig mee: ja mam: dit is de laatste keer dat mijn mond het zegt. Dat zei ik inderdaad altijd, nog helemaal zen. Ze wisten dat ze erna een lel zouden krijgen. Ach, het zou een lelletje worden. Maar eigenlijk hoefde dat nooit, want ze stopten meteen met hun ongein. Er waren ook mensen die zich helemaal niet in dat: hekel aan herkenden. Misschien een vooroordeel, maar mijn onderbuikgevoel zei: deze mensen moet je in de gaten houden!
Plaats een reactie