De terugreis. De film die ik graag wil zien. En zoals dat gaat glippen de weken door de vingers. Maar gelukkig, hij draait nog. Dus wij op een vroege vrijdagavond richting bios. Eigenlijk weet ik alleen dat Martin Waardenburg en die leuke ouwe juf van de Luizenmoeders de hoofdrollen vervullen. Zij is trouwens Leny Breederveld. Haar sluit je snel in je armen. Helemaal als haar nukkige partner Jaap haar steeds kwijt is en hard door het huis Maart! Maartje roept. Waar hangt ze nou weer uit. Maartje weet regelmatig zelf ook niet meer waar ze uithangt. Haar hoofd laat haar en het nu steeds vaker in de steek. In het begin is het bewustzijn er wel degelijk en daarmee de angst. Echtgenoot Jaap denkt dat ze hem voor het lapje houdt. En daar wordt hij, toch al geen lachebekje, geen leuker mens van.
Afijn, een brief van Luis, een vriend van vroeger uit Spanje, die laat weten in een hospice te liggen, brengt alles in een stroomversnelling. Als Maartje alle fotoboeken door snuistert om de foto’s te vinden, brengt die ene foto, waar de levenslust van afspat, haar bij het verlangen naar die tijd en naar die plek. Hun op handen zijnde reis zuigt je hun avontuur in. Met dolkomische taferelen. En tegelijkertijd trekt de tragiek van Maartjes’ ziekteproces de rode lijn door de roadtrip, die ze samen beleven. Het kippenvel trekt zijn eigen reis op onze armen.
Een scharniermoment in het brein van Jaap vindt plaats, als hij haar weer eens kwijt is. Zij heeft zitting genomen in de kast. Trillend als een juffershondje zit ze in haar onderjurk een angst te herbeleven. Jaap stuurt ze allemaal, die ellendelingen, het hotel uit. Zijn hart wordt geopend door de bewustwording dat de geest van zijn lieve Maartje een onomkeerbaar proces doormaakt. Al zijn nuk maakt plaats voor zorg. Echter, juist dit filmfragment brengt mij bij een herinnering van vijfentwintig jaar terug.
We gaan met vrienden naar een bos waar uilen zitten. Zij zijn echte vogelkenners en – liefhebbers. We laten ons meeslepen in hun enthousiasme. Echt bijzonder is het, dat juist in dat stukje bos zich uilen nestelen. Als we na deze middag thuiskomen, hebben we nog geen idee wat dit middagje met onze Karlijn heeft gedaan. Zij zal zo rond de vier zijn. Een paar avonden na deze middag vraagt ze of er uilen onder haar bed zitten, als ik haar naar bed breng. Nou, een blik daaronder bewijst dat die daar niet zitten. Maar zo gemakkelijk is dit akkefietje niet opgelost. Ze zitten inmiddels in de kast. Al die uilen. Doodeng! Ik doe haar kast open en bedenk ter plekke: Nou inderdaad, hier zitten ze allemaal Karlijn, goed van je! Weg wezen hier jongens, allemaal naar buiten! Als ik de trap naar beneden stamp om het avontuur kracht bij te zetten, staat ons madammeke op de overloop. Zijn ze al buiten mam? Nou, dat is de volgende stap. Wetend dat ik door angstige ogen vanaf de overloop wordt gevolgd, doe ik de voordeur open en gil hysterisch: Allemaal opdonderen en noooit weer terugkomen! Begrepen? Op dat moment fietst er iemand voorbij die me indringend aankijkt. Nou ja, jammer dan. Dan maar even voor schut staan. Voor je kind doe je alles.
Even weer naar de filmzaal. De ontroering spat van het witte doek. Wat een aanrader! Komt dat zien. Wat echter bijna nog komischer is, is de situatie vóór de film. We komen in een praktisch lege filmzaal en nestelen ons ergens in het midden van een rij. De jassen in de stoelen naast ons. De tassen in de aanslag met M&M’s en salmiakknotsen. Wie doet ons wat. Komt er een vrouw naar ons toe. Wij zitten op de plek waar zij zitten. We grinniken wat en wijzen naar al die onbezette rijen. Wij zien het probleem niet. Zij zijn een groep van twaalf oudere dames. En óf zij nou de doorslag geven, óf die ene vrouw die binnenkomt met een flesje cola in de hand en een bak popcorn in de oksel, Joost mag het weten. Maar het einde van het liedje is, dat wij een rij voor hen zitting moeten nemen. We murmelen nog wat over de plattelandsvrautisten en laten onze emoties de vrije loop. En dan moet de terugreis nog beginnen…
Plaats een reactie