Neem zoiets als vorige week. De eerste dag van maart is uitgeroepen als nationale complimentendag. Natuurlijk ziet iedereen de waarde van een positieve waardering. Tegenwoordig wel. Vroeger, in mijn jeugd was men daar minder scheutig mee. Stel je voor dat iemand zich iets zou gaan verbeelden. Dat verdiende, naast een moord, een goeie tweede plek in mijn opvoeding. In het Gronings heet deze verbeelding ‘snakken.’ Uitgescholden worden voor ‘dikke snak’, was niet best. Tussen degene die jou een snakkerd vond en jou kwam het vast niet meer goed. Ooit zei ik eens tegen mijn moeder dat ik van haar hield. ‘Harregat, nou most opholden hur. Dat soort flaauwekul zeggen zai op tillevisie. Niks as onzin.’ Of dat ik tegen mijn vader zei dat ik het geweldig vond dat hij van de een op de andere dag was gestopt met roken. Ook hij vroeg me op te houden dit te zeggen, anders zou hij meteen weer beginnen. Of dit te maken heeft gehad met de nuchtere aard van Groningers, het een hardnekkig Calvinistisch trekje was, of het gewoon de geest van de tijd was. Zeg het maar…
Ooit, onze dochter zal een jaar of twee geweest zijn, deed ik de opleiding handlezen. Ik zat voortdurend mijn handen te bestuderen. De heuvels in de handpalmen en de lijnen, de vorm van vingers en nagels en of de elementen water, aarde, vuur en wind terug te vinden waren. Ik had mijn zogeheten ouderlijnen vastzitten aan de levenslijnen in beide handen. Ik zag aan de blik van de handleesjuf, dat ik hier niet persé trots op hoefde te zijn. Afijn, in die tijd kwam mijn moeder in het ziekenhuis te liggen. Het was vrij plotseling en ze moest een zware operatie ondergaan. Ik had afscheid van haar genomen. Eenmaal op de gang besloot ik terug te gaan om te vragen of ze eigenlijk wel trots op me was. Doodsbang dat ze zou zeggen waar deze aanstellerij van mij nou weer vandaan kwam, zei ze tot mijn grote opluchting dat ze heel trots was.
Ik kon het bijna niet geloven. Dat ze dit had gezegd en dat ik, achteraf gezien, zo snakte naar een goedkeuring op mijn vijfendertigste. Ook kon ik bijna niet geloven dat mijn ouderlijn in mijn linkerhand binnen een week los was van de levenslijn. Tot op de dag van vandaag is deze los gebleven. Ik prijs me een gelukkig mens dat het in deze tijd vrij gebruikelijk is iemand een pluim te geven. Ik voel me vaak trots op een ander en zie vaak mooie dingen in medemensen. Mooie eigenschap. Tóch? Pfff, ja oké moeke zaliger, ik moet niet al te eelsk worden.
Dit Assertiefje heet Tijdsgeest (1) want ik zou iets heel anders schrijven. Dat moet de volgende keer maar aan bod komen. Het schrijversbloed dat de geest door de aderen laat bruisen, blijft nou eenmaal de baas. Dat is van alle tijden.
Plaats een reactie